donderdag 14 mei 2015

beschouwing taaltheoriën klas 5

Beschouwing theorieën eerste taalverwerving

Er zijn verschillende meningen over hoe een kind zijn taal verwerft in de eerste levensfase. Er moet immers een verklaring zijn waarom dit zo snel gaat.
Vier voorbeelden van een theorie zijn de theorie van de UG (Universele Grammatica), de optimaliteitstheorie, neurale-netwerk theorieën en sommigen denken weer dat kinderen over een sociaal instinct beschikken een daardoor snel hun taal verwerven.
In deze beschouwing zal ik proberen te verduidelijken wat deze theorieën inhouden en kunt u zelf besluiten welke u het meest logisch vindt.

Theorie van de Universele Grammatica
De Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky heeft deze theorie ontwikkeld.  De Universele Grammatica, is een stelsel van regels die op alle talen van toepassing zijn. De theorie houdt in dat de mensen bepaalde genen hebben voor het leren van een taal, waardoor zij heel snel een moedertaal leren en een bepaald soort fouten niet maken: een aangeboren taalvermogen.

De Universele Grammatica bestaat uit principes en parameters. Het verschil tussen deze twee is dat de principes voor alle talen hetzelfde en aangeboren zijn en de parameters ervoor zorgen dat iedere taal zijn eigen kenmerken heeft, deze worden dus later pas aangeleerd. Principes zijn algemene regels voor alle talen, maar parameters kunnen per taal verschillen.  
Met deze grammaticale regels kunnen mensen oneindig veel zinnen produceren, hierdoor wordt de theorie van de Universele Grammatica generatief genoemd: het verklaart de generatie van oneindig veel zinnen op grond van een grote verzameling regels.
Iets van deze theorie tegen kan spreken, is dat er veel uitzonderingen zijn waar geen antwoord op gegeven kan worden.

Het voornaamste argument dat voor de theorie wordt gegeven is dat kinderen nooit zulke complexe zinnen zouden kunnen vormen, met het kleine taalaanbod wat ze krijgen. Ze moeten dus wel een aangeboren taalvermogen hebben.

De optimaliteitstheorie
Deze theorie heeft een totaal ander idee over hoe de taalverwerving van kinderen in elkaar zit en is ontwikkeld door Prince en Smolensky. Volgens hen is het zo dat men zich niet altijd aan de taalregels hoeft te houden, als er sprake is van tegenstellingen met andere regels. De woorden en zinnen gehoorzamen zo optimaal mogelijk aan de regels.
Een verklaring voor de verschillen in de talen is dat de regels niet in alle talen even sterk zijn.

Volgens Prince en Smolensky is het zo dat hoewel beide talen gehoorzamen aan dezelfde regels, de taalregels in deze talen niet even sterk zijn. Er is sprake van meerdere regels.  Zodra er twee strijdige regels van toepassing zijn, wint de sterke regel het van de zwakke. Dit verschijnsel, waarbij je tot de 'beste' zin komt door regels tegen elkaar af te wegen, heet optimalisatie.

Neurale-netwerktheorie
Volgens deze theorie is het zo dat kinderen taal leren door middel van cognitieve principes. Dit houdt in dat taal wordt aangeleerd door verbindingen in het neurale netwerk te verbeteren. Als de verbinding tussen neuronen sterker wordt, leren de hersenen iets. Als iets door een kind vaker gehoord wordt, wordt de sterkte van de verbinding van de neuronen groter en leert het kind de taal.
Wanneer de input steeds dezelfde route in de hersenen volgt, veranderen de neuronen op die route langzaam en kan de route makkelijker begaan worden.  Als die input dan nog een keer volgt, worden bepaalde neuronen gelijk geactiveerd.

Het sociale instinct
Dit is een theorie die niet aanhangt dat een kind een aangeboren grammatica heeft.
Volgens Tomasello, de bedenker van deze theorie, leren kinderen van wat door volwassenen gezegd wordt.  De theorie is gebaseerd op het vermogen van mensen om de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. Tomasello beweert dat niet het taalinstinct is aangeboren, maar juist het sociale instinct. Daarnaast kunnen baby's patronen leren herkennen. Als een kind een woord vaker hoort, dan gaat het er vanzelf een betekenis aan geven. Kinderen kunnen dus wel taal leren van hun omgeving.
Tomasello stelt dus, tegenover Chomsky, dat kinderen vanuit hun sociale instinct en met het vermogen om patronen te leren herkennen, wel kunnen leren van het taalaanbod van bijvoorbeeld de ouders.


Dit waren vier theorieën over eerste taalverwerving van kinderen. Het is niet mogelijk om aan te tonen welke nu precies de waarheid is, maar iedereen kan in ieder geval voor zichzelf bepalen welke hij of zij aanhangt.  

dinsdag 27 januari 2015

opdrachten stencil studiefinanciering

Opdracht 1
1.            Het bindend studieadvies is een uitspraak van een universiteit over de voortgang van je opleiding. Iedereen krijgt er eentje na het eerste jaar. Als het negatief is moet de student stoppen. Dit is het geval als er niet genoeg studiepunten zijn gehaald.
2.            Een bachelor is een opleiding op een HBO of universiteit. Om aan een bachelor te kunnen beginnen moet iemand geslaagd zijn op de havo, vwo of een mbo studie hebben afgemaakt. Als de bachelor is afgerond kan de geslaagde de bijpassende titel dragen. Een bachelor duurt meestal drie of vier jaar.
3.            Een master is een opleiding op een HBO of universiteit. Om aan een master te kunnen beginnen moet iemand de hele bijbehorende bachelor hebben afgerond, maar dit hoeft niet altijd. De master titel, die je mag dragen na het afronden van een masteropleiding, is de hoogste. Een master duurt meestal één of twee jaar.
4.            Selectie aan de poort is een manier om het aantal studenten die één studie willen volgen te beperken. Dit kan met behulp van loting, waarbij het cijfer dat je haalt voor je eindexamen bepaalt hoeveel kans je maakt om toegelaten te worden. Een andere manier is het maken van een decentrale toets, waarbij je een toets maakt die bepaalde vaardigheden test.
5.            De basisbeurs is een financiële uitkering die wordt uitbetaald in de vorm van een prestatiebeurs. Als een student binnen tien jaar een diploma haalt wordt het gezien als een gift, anders als een lening en dient het te worden terugbetaalt. De hoogte van de basisbeurs is onder andere afhankelijk van de woonsituatie, bij de ouders of alleen.
6.            Het studievoorschot is de vervanging van de basisbeurs. Het is een lening die je onder voordelige voorwaarden kan afsluiten bij de overheid, de tijd om het terug te betalen is bijvoorbeeld erg lang. Het is niet verplicht. Er zitten een paar voorwaarden aan vast; beginnen aan een bachelorstudie en voor de eerste keer studiefinanciering aanvragen of beginnen aan een master.
7.            Een stage is een onderdeel van een opleiding waarin een student de praktijk leert. Er zijn verschillende soorten stages.                                                                                             Werkend leren, de BeroepsBegeleidende Leerweg (BBL) of de beroepsopleidende leerweg. Soms wordt dit gecombineerd met een baan binnen het bedrijf.                               Snuffelstages, het kennismaken met een bepaald beroep of instelling, zodat een verstandigere keuze kan worden gemaakt. Gebeurt vaak op de middelbare school                                              Observatiestage, de naam zegt het al, je doet zelf niks je kijkt naar de handelingen.                    Meeloopstage, je doet onder begeleiding al verschillende beroepsgerichte handelingen.              Afstudeerstage, de naam zegt het al, je doet het om af te studeren, wordt vaak afgesloten met verslag of scriptie.
8.            Bestuursfunctie is een baan die je doet als bestuurslid van iets.
9.            Langstudeerders zijn studenten die nogal lang over hun studie doen.
10.          LSVb is de Landelijke Studenten Vakbond, deze komt op voor de rechten en belangen van de studenten in het HBO en WO.
11.          Flexstuderen houdt in dat de student zelf kiest welke vakken hij of zij volgt en hoelang hij of zij erover doet.
12.          Een voltijdstudent is iemand die meteen met een HBO of universiteit begint na het behalen van hun havo, vwo of mbo. Deze studenten zijn dus meestal vrij jong.
13.          Modulaire opzet: het flexstuderen.
14.          Leerrechtensysteem is de naam die Mark Rutte gaf aan een plan wat ongeveer hetzelfde inhoudt als het systeem met flexstuderen.

Opdracht 2
Knip: De overgang van bachelor naar master. Je hebt harde en zachte knip; harde knip is dat je voor een master opleiding eerst de gehele bijpassende bachelor hebt afgerond. De zachte knip is als je een master mag doen ook al heb je de bachelor niet helemaal afgemaakt.

Columniste: Een vrouwelijke columnist. Een columnist is iemand die columns schrijft. Een column is een (kort) stukje in een krant of tijdschrift wat vaak luchtig, persoonlijk en humoristisch is. Een column kan overal over gaan, de meeste gaan over de actualiteit.

Per saldo: wat er na afloop over blijft of uitbetaalt dient te worden.

Naar rato van: in de juiste verhouding, in dit geval het aantal punten dat wordt gehaald.

Uitvalcijfers: het cijfer dat het aantal mensen die hun studie niet afmaken weergeeft.

Innovatie: Vernieuwingen

Bureaucratisch: op een manier die gekenmerkt wordt door veel ingewikkelde regels en procedures.

Rendementeisen: de eisen die aangeven wat het rendement moet zijn.




Opdracht 3
Huidige systeem
Voor wie toegankelijk?
Hogeschool: iedereen met havo-, vwo- of mbo-diploma.
Universiteit: iedereen met een vwo- of hbo- diploma
Lengte van de studie?
Bachelor: meestal drie of vier jaar.
Master: meestal één of twee jaar.
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Als je eenmaal een studie kiest is het niet mogelijk daarbinnen vakken wel of niet te kiezen, je volgt de lessen die erbij horen.
Waar kan je studeren?
Op elke universiteit of hogeschool die jouw studie heeft.
Hoe wordt het betaald?
In de vorm van een studievoorschot

De Open Universiteit
Voor wie toegankelijk?
Iedereen (van achttien jaar of ouder)
Lengte van de studie?
Grote variatie, dit is zelf te bepalen
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Als je eenmaal een studie kiest is het niet mogelijk daarbinnen vakken wel of niet te kiezen, je volgt de lessen die erbij horen. Wel maar minder studies mogelijk.
Waar kan je studeren?
De OU heeft in elke provincie een studiecentrum, maar kenmerkend van de OU is, is dat je thuis studeert of tenminste van een afstand.
Hoe wordt het betaald?
Zelf

Het plan Truijens
Voor wie toegankelijk?
Hogeschool: iedereen met havo-, vwo- of mbo-diploma.
Universiteit: iedereen met een vwo- of hbo- diploma.
Lengte van de studie?
Bepaalt de student zelf.
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Bepaalt de student zelf.
Waar kan je studeren?
Op elke universiteit of hogeschool die jouw studie heeft.
Hoe wordt het betaald?
Studenten betalen voor het onderwijs dat ze volgen, niets meer en niets minder.

Het plan van de LVSb
Voor wie toegankelijk?
Hogeschool: iedereen met havo-, vwo- of mbo-diploma.
Universiteit: iedereen met een vwo- of hbo- diploma.
Lengte van de studie?
Bepaalt de student zelf.
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
Bepaalt de student zelf.
Waar kan je studeren?
Op elke universiteit of hogeschool die jouw studie heeft.
Hoe wordt het betaald?
De studie schrijft zich in voor een bepaald aantal studiepunten, aan de hand daarvan wordt bepaald hoeveel de student krijgt.

Het plan van Rutte
Voor wie toegankelijk?
Hogeschool: iedereen met havo-, vwo- of mbo-diploma.
Universiteit: iedereen met een vwo- of hbo- diploma
Lengte van de studie?
-
Welke keuzemogelijkheden in de leerstof zijn er?
-
Waar kan je studeren?
Op elke universiteit of hogeschool die jouw studie heeft.
Hoe wordt het betaald?
In ruil voor tegoedbonnen kunnen studenten hoger onderwijs volgen aan publieke en particuliere instellingen.










Opdracht 4

‘Snel studeren is niet voor iedereen geschikt.’                                                                                          1a. Voor wie niet?                                                                                                                                 1b. Waarom niet?
2. Flexibel studeren biedt de oplossing. Hoe?
3. ‘Zonder extra kosten’. Hoe kan dat?
4. ‘Waarom niet meteen invoeren?’ Ja, waarom eigenlijk niet?

1a. Voor studenten die eigenlijk niet echt goed weten wat ze willen studeren.                                    1b. Dan is de kans groter dat je een studie kiest die eigenlijk niet goed bij je past.

2. Hierbij is het niet het geval dat als je niet meteen studeert je de beurs misloopt, omdat je dit zelf mag kiezen.

3. Ze moeten het weer terugbetalen als ze het niet halen en iedereen betaalt ook echt voor wat die wil en krijgt niks in de schoot geworpen.

4. Er is een wet waar je je niet aan kan houden met het flexstuderen, eerst zal dus een wet moeten worden aangepast. En universiteiten krijgen ook geld per afgestudeerde leerling, de universiteiten denken dus hoe sneller hoe beter. Ze zullen dus minder geld innen met het flexstuderen dan met het ‘normale’ systeem.





Opdracht 5
Wat de voor- en nadelen zijn.
Wat het flexstuderen precies inhoudt.
Iets meer achtergrondinformatie





Opdracht 6
Het studiesysteem van nu hamert erop dat de studenten zo snel mogelijk afstuderen, daar komt nu ook nog het studievoorschot bij. Het kan ook anders, zegt columniste Aleid Truijens. Het is namelijk niet voor iedereen handig als ze snel afstuderen, ze hebben zo minder kansen zich te onderscheiden naast hun studie. Het plan waar ze mee aan kwam zetten was het zogenaamde flexstuderen. Dit houdt in dat de studenten betalen voor de vakken die ze volgen, je kan zo zelf bepalen hoelang je erover doet en hoeveel het kost, daarbij kost het de overheid geen extra geld. Ze kreeg steun van mensen die zeggen dat je in je studententijd ‘gekke’ dingen moet doen zodat je beter op de maatschappij bent voorbereid. Waarom wordt dit systeem niet meteen ingevoerd? Er zitten blijkbaar alleen maar voordelen aan. Bijna iedereen is inderdaad ook voor om het mogelijk te maken. Punt is, is dat het niet zo makkelijk gaat. Er is een wet waarin staat dat universiteiten alleen geld krijgen voor ingeschreven studenten die een volledige opleiding volgen, als iedereen zelf kiest is het niet mogelijk om je aan die wet te houden. Je zou de wet aan kunnen passen, maar het ligt ook aan de bekostiging. Universiteiten krijgen geld afhankelijk van het aantal afgestudeerde studenten, dus hoe sneller hoe beter. Het is overigens geen nieuw idee, maar het huidige kabinet denkt anders over studeren dan de pleiters voor flexstuderen, namelijk als een kostenpost en niet als een kans. Maar het is zeker de moeite waard om het plan van Truijens te onderzoeken.




Opdracht 7 
Alinea
Bewering
Argumenten
Objectief/Subjectief
1
Studenten van nu hebben amper de tijd om te wennen aan hun nieuwe leven


Allemaal bedoeld om studenten maar zo snel mogelijk door hun studie heen te jagen
1.Er zijn maatregelen die het moeilijk maken te wennen.
2. Studievoorschot

De studenten worden bijna gedwongen snel te studeren.
Objectief


Objectief

Subjectief
2
… is snel studeren lang niet voor iederee geschikt;
Sommige studenten willen zich onderscheiden.
Objectief
3
En langstudeerders hoeven geen extra geld te kosten.
Ze betalen voor het onderwijs dat ze volgen, niets meer en niets minder.
Objectief
4
Die extra jaren zijn geen verloren jaren.
Ze zijn in die ‘verloren’ jaren beter op de maatschappij voorbereid.
Subjectief
5
In je studietijd moet je gekke dingen doen…
Daardoor krijg je mensen met bredere visie.
Subjectief
7
Wij zijn helemaal voor.
Je geeft ze zo veel meer keuzevrijheid.
Objectief
9
Natuurlijk moet je het flexstuderen niet aan iedereen opleggen.
Er zijn ook genoeg mensen die wel voltijd willen studeren
Objectief
10
Erik Driessen is positief.
Zo is achterstand in te halen
Objectief
12
Het zou goed zijn als Nederlandse universiteiten meer met hun tijd gaan.
Sluit goed aan op de huidige samenleving.
Subjectief
13
Het is inderdaad allemaal niet zo simpel.
Er is een bepaalde wet waaraan je dan niet kan voldoen.
Objectief
14
Volgens Van Meenen ligt het probleem bij de bekostiging.
Universiteiten krijgen geld per afgestudeerde studenten.
Objectief
16
Het idee voor flexibel onderwijssysteem is dus niet nieuw.
Rutte kwam al eerder met een vergelijkbaar idee.
Objectief
17
… is het plan van Truijens volgens SP-Kamerlid Jasper van Dijk ‘vele malen verfrissender’…
Huidige kabinet ziet studeren als kostenpost en niet als kans.
Objectief









Opdracht 8 
Alinea
Bewering
Eens/Oneens
Argument(en)
1
Studenten van nu hebben amper de tijd om te wennen aan hun nieuwe leven


Allemaal bedoeld om studenten maar zo snel mogelijk door hun studie heen te jagen
Eens




Eens
Het moet allemaal zo snel mogelijk, waardoor studenten weinig tijd hebben te wennen.

Alle maatregelen die er zijn, zijn er om het studeren zo snel mogelijk te doen.
2
… is snel studeren lang niet voor iederee geschikt;
Eens
Er zijn ook mensen die meer willen doen naast hun studie.
3
En langstudeerders hoeven geen extra geld te kosten.
Eens
Als ze gewoon geld krijgen voor de lessen die ze volgen, krijgen ze ook geen geld voor de lessen die ze niet volgen.
4
Die extra jaren zijn geen verloren jaren.
Eens
In die jaren kan je allemaal andere ervaringen opdoen.
5
In je studietijd moet je gekke dingen doen…
Oneens
Je hoeft niet per se gek te doen om een brede visie te ontwikkelen.
7
Wij zijn helemaal voor.
Eens
Ik ben ook voor dit plan.
9
Natuurlijk moet je het flexstuderen niet aan iedereen opleggen.
Eens
Sommige willen het wel zo snel mogelijk doen.
10
Erik Driessen is positief.
Eens
Hij staat er positief in.
12
Het zou goed zijn als Nederlandse universiteiten meer met hun tijd gaan.
Eens
Het is een systeem dat vroeger is ingesteld, maar de wereld is veranderd en dat systeem werkt net meer goed.
13
Het is inderdaad allemaal niet zo simpel.
Eens
Als dat zo was geweest was het allang geregeld.
14
Volgens Van Meenen ligt het probleem bij de bekostiging.
Oneens
Als je geld krijgt per afgestudeerde leerling zou je er volgens mij geen problemen aan overhouden, er blijven evenveel studenten, ze doen het alleen minder snel.
16
Het idee voor flexibel onderwijssysteem is dus niet nieuw.
Eens
Er is al een aantal jaar geleden zoiets voorgesteld. Dus is het niet nieuw.
17
… is het plan van Truijens volgens SP-Kamerlid Jasper van Dijk ‘vele malen verfrissender’…
Eens
Het huidige systeem is verouderd.





Opdracht 9
1.            1.      1 Wat zegt het ministerie over het plan van Truijens?
2.            2.       2Wat heeft de verruiming van het collegegeldkrediet te maken met flexibel studeren?
3.            3.       3Is het stimuleren van online onderwijs iets wat tegemoetkomt aan de ideeën van Truijens?
4.            4.       4Is ‘leven lang leren’ een onderdeel van het plan van Truijens?
5.            5.       5In de laatste alinea is sprake van ‘modernisering’ en van het studievoorschot. Zou dat kunnen helpen om de plannen van Truijens te realiseren?


1.     1  Ze staan er niet erg negatief in, het is alleen lastig om het in te voeren. Kamerlid Van Meenen stelt dingen voor die zouden moeten veranderen om het plan van Truijens in te voeren.                        Rutte kwam ook al eerder met een vergelijkbaar plan, dus het is in de politiek niet iets waar nooit over gepraat wordt.
2.      
            2 Als er niet binnen een bepaald aantal jaren een diploma hoeft te worden gehaald, dan heeft de student ook de nodige ruimte om te kijken wanneer hij/zij z’n studie afrondt.
3.      
             3Ja, online onderwijs doe je wanneer het je het beste uitkomt, wat aansluit op flexibel studeren.
4.      
            4 Niet per se, volgens het plan van Truijens is het wel mogelijk om erg lang te leren, maar het is ook mogelijk om het zo kort als het kan te doen.
5.   
           5 Ja, het wordt afgesloten onder voordelige voorwaarden afgesloten, zodat de student weinig tot geen druk voelt voor het snel afbetalen van deze lening en dus ook niet erop gebrand zijn de studie snel af te ronden.
  




Opdracht 10
1.       Welke van deze vormen is voor jou het aantrekkelijkst? Geef een korte motivatie bij je keus.
2.       Welke van deze vormen is voor jou het meest onwenselijk? Geef weer een korte motivatie.

1.       Het plan van Truijens lijkt mij het best. Ik weet zelf ook nog niet wat ik zou moeten studeren en hoef ik dus niet per se alles zo snel mogelijk te doen. En ook de betaalmethode lijkt me het meest praktisch.
2.       Mijn voorkeur gaat niet echt uit naar de Open Universiteit. Lijkt me nogal onpersoonlijk, vind het wel fijn om in een klas te zitten. Daarbij heb ik geen reden om onderweg of thuis te studeren, heb nog geen baan ofzo.


Opdracht 11

Het ideale schoolsysteem

Volgend jaar is het dan zo ver: de basisbeurs wordt dan omgezet in een lening. Dit is alleen bedoeld zodat de studenten zo snel mogelijk hun studie afronden. Maar is dit wel een goede beslissing? Is het niet slimmer de studenten meer tijd te geven voor hun studie? De universiteiten en hogescholen beginnen steeds meer te veranderen, maar of iedereen het hiermee eens is... 

Op de opendagen van universiteiten kom je altijd in contact met de grote collegezalen. Het zijn de grote zalen waarin je voorlichting krijgt over de studie. Voor voorlichtingen is het natuurlijk super makkelijk, want er kunnen veel mensen in één zaal en de spreker kan met PowerPoints veel informatie geven. Alleen denk ik niet dat het de geschikte ruimte is om colleges te geven aan studenten. Vaak kunnen er meer dan honderd studenten in een collegezaal en aan deze studenten wordt door één professor les gegeven. Persoonlijk lijkt het mij niet fijn om in die situatie les te krijgen. Doordat je met een groot aantal studenten in de collegezaal les hebt, kan je moeilijk persoonlijke uitleg krijgen. Als je echt iets niet snapt, is het fijn dat de leraar het onderwerp persoonlijk aan je uit kan leggen. Ik denk dat je deze extra uitleg niet zou kunnen krijgen als je met honderd studenten in een zaal zit. Ik zou dus liever de studie willen volgen met een kleinere groep studenten. Er is dan meer aandacht voor de student.

Practica bij een studie is zeker zo belangrijk als theoretische lessen. Practica zijn erg nuttig, want door middel van practica leert de student om de geleerde stof in praktijk te brengen. Het in praktijk brengen van de theorie is erg belangrijk, omdat je je dan daadwerkelijk goed voorbereid voor latere beroepen. Als je later namelijk een baan neemt, moet je de theorie ook in de praktijk kunnen toepassen. Practica is dus heel leerzaam. Bovendien is de samenwerking van de leden van de practicumgroep vanzelfsprekend belangrijk. De studenten moeten zelf bepalen op welke manier, waar en wanneer ze aan de practicumopdracht gaan werken. Ze hebben zelf de verantwoordelijkheid voor de planning, taakverdeling en uitvoering daarvan. Zo leren de studenten goed met elkaar samen te werken. Ik vind daarom dat een studie uit theoretische lessen, maar zeker ook uit practica moet bestaan. 

Tentamens worden bij de meeste universiteiten en hogescholen in tentamenweken afgelegd en dan heb je per kwartiel een tentamenweek. Per kwartiel volg je ook drie vakken, dus dat betekent dat je drie tentamens hebt in één week. Deze tentamenweek is dan een hoop gestress, omdat je in één week drie verschillende tentamens moet voorbereiden. Persoonlijk lijkt mij dit niet de goede manier om tentamens af te nemen. Ik vind dat je op een studie één vak per maand of 2 maanden moet volgen en nadat je dit vak hebt afgerond meteen een tentamen krijgt over dat onderwerp. Na dit tentamen ga je verder met het volgende vak, waar je na een maand ook een tentamen over hebt. Met deze methode kan de student zich namelijk beter op het vak concentreren, omdat je dagelijks met dezelfde stof bezig bent en niks door elkaar heen krijgt. Ook heb je geen stressvolle tentamenweken waarin je opeens alle theoretische stof van meerdere vakken moet toetsen. Ik vind dus dat deze tentamenweken afgeschaft moeten worden. Sommige universiteiten werken al op deze manier, maar ik vind dat meerdere universiteiten dit toe moeten passen. 

Het plan, om studenten zelf te laten beslissen hoelang ze over hun studie doen en welke vakken ze willen volgen, van Aleid Truijens, is een prachtig plan. Er zijn natuurlijk veel studenten die hun studie snel afronden en geen moeite hebben met voltijd studeren, maar er zijn ook veel studenten die graag naast hun studie een baantje nemen, betrokken zijn bij de maatschappij of discussiëren in studentenclubjes. Deze activiteiten zijn zeer nuttig, maar kunnen ook van negatieve invloed zijn bij de studievoortgang. Voor deze studenten, die veel bezigheden buiten de studie hebben, is het plan van Truijens een goed alternatief en daarom vind ik ook dat haar plan ingevoerd zou moeten worden. Degenen die voltijd willen studeren, kunnen met dit plan gewoon hun studie snel afronden en degenen die naast hun studie veel te doen hebben, kunnen zolang als ze zelf willen over hun studie doen. Dit heeft dus voor niemand nadelen. 

Het gebruik van de moderne media is super handig en het wordt daardoor al veel toegepast op studies. Zo is het filmen van colleges handig voor als je door ziekte afwezig bent, je mist dan namelijk geen nieuwe stof. Het grote nadeel hieraan is alleen wel dat je geen vragen kunt stellen aan de professor, dit is erg lastig en daarom vind ik ook niet dat we met gehele online studies moeten starten. Het aanschaffen van laptops of tablets vind ik wel noodzakelijk, want daarop kan je tijdens een college aantekeningen maken en presentaties opslaan. De moderne media is dus zeker van toepassing.

Er kan dus nog veel veranderd worden aan de universiteiten en hogescholen in Nederland. Veel veranderingen zijn al op gang, dus het gaat al de goede richting op. Maar het kan altijd beter! Het zal een goed begin zijn om het plan van Truijens te onderzoeken en dit daarna toe te passen. Dit plan is namelijk voor velen een top plan en ik denk dat we daar veel studenten een plezier mee doen!